-
Algemeen
-
Spelmateriaal
-
Spelmateriaal
-
Sjoelbak
-
Poortenbalk
-
Afmetingen
-
Sjoelschijf
-
Controlestreep
-
Spelregels
-
Algemeen
-
Speelwijze
-
Puntentelling
-
Spelvolgorde
-
Bepalingen
-
Regels
bij bondswedstrijden
-
Slotbepaling
1
ALGEMEEN
1.1 De spelregels zoals in dit reglement omschreven,
moeten bij alle bondswedstrijden in acht worden genomen.
1.2 Bij bekerwedstrijden kan hierop door de
bekercommissie een uitzondering worden gemaakt.
Terug
2
SPELMATERIAAL
2.1 Het spelmateriaal zoals in dit reglement omschreven,
is in overeenstemming met een door de bond goedgekeurde
wedstrijdbak
Terug
2.2
SJOELBAK, zie figuur 1.
De sjoelbak is
samengesteld uit de volgende houten onderdelen:
1. afzetbalk
2. bodem
3. zijwanden
4. poortenbalk
5. tussenwanden
6. achterwand
Figuur 1.
Terug
2.3
POORTENBALK, zie figuur 2.
Aan de voorzijde van de poortenbalk zal boven elke
opening een indicatie zijn aangebracht. Deze indicatie
kan bestaan uit cijfers of andere middelen doch dient in
ieder geval te bestaan uit een waardering die van links
naar rechts gezien bestaat uit:
2-3-4-1.
Figuur 2.

Terug
2.4 AFMETINGEN, zie
figuur 1 en 2.
Waar in de figuur niet aangegeven gelden de volgende
maten:
a. dikte zijwanden: 12 mm
b. dikte tussenwanden: 12 mm
c. dikte achterwand: 14 mm
d. dikte poortenbalk: 14 mm.
Terug
2.5 SJOELSCHIJF
a. materiaal: beukenhout
b. glijvlak: hol
c. gewicht: 20 ± 3 gram
d. diameter: 52 mm
e. dikte: 13 mm.
Terug
2.6 CONTROLESTREEP
Op de bodem is een streep aangebracht loodrecht onder de
achterkant van de afzetbalk.
2.7 Niet genoemde onderdelen of afmetingen worden voor
de sjoelsport van minder belang geacht.
Opmerking: alle maten zijn aangegeven in millimeters.
Tolerantie: lengtematen ± 0.15%
overige maten ± 0.3%.
Terug
3 SPELREGELS
3.1 ALGEMEEN
Indien in dit reglement hij, deelnemer, speler, enz.
wordt vermeld, dan worden hiermee ook de vrouwelijke
leden bedoeld, tenzij dit uitdrukkelijk anders is
bepaald.
Terug
3.2 SPEELWIJZE
a. Elk spel begint met 30 schijven.
b. De deelnemer wordt geacht de schijven vóór aanvang
van het spel te hebben geteld.
c. Een schijf is in het spel zodra deze de streep bij de
afzetbalk geheel voorbij is.
d. Is een schijf éénmaal in het spel dan mag deze door
niemand meer aangeraakt worden. Uitzonderingen hierop
zijn:
1. Een schijf die buiten de bak geraakt.
2. Een schijf die over de poortenbalk heen in een vak
geraakt.
3. Een schijf die, anders dan door de poortenbalk, uit
het vak geraakt en op welke manier dan ook:
a. terugkomt in hetzelfde vak,
b. terugkomt in één van de overige vakken,
c. op één van de tussenwanden blijft rusten.
In bovenstaande gevallen neemt de jury de schijf direct
uit het spel.
4. Een schijf die terugkomend, de streep aan de
achterkant van de afzetbalk geheel is gepasseerd. De
speler moet deze schijf na toestemming van de jury uit
de bak nemen en naast de bak aan de kant van het jurylid
leggen, zodanig dat deze gescheiden is van de overige
schijven die nog gespeeld moeten worden.
e. Een schijf is in het vak als deze onder de afzetbalk
door, de voorkant van de poortenbalk geheel is
gepasseerd. In twijfelgevallen dient de jury een recht
afsluitlatje tegen de voorkant van de poortenbalk te
schuiven, beweegt hierbij de schijf dan is deze niet in
het vak.
f. De jury stapelt de schijven op stapels van 4 voor de
eerste 4 in het vak zittende schijven. De volgende
stapels op 3, zie figuur 3. De onderste schijf van de
eerste stapel in alle 4 vakken wordt los van de
achterwand geplaatst; max. 5 mm.
Figuur 3.

Terug
4 PUNTENTELLING
De puntentelling dient als volgt te geschieden:
in elk vak 1 schijf = 20 punten,
in elk vak 2 schijven = 40 punten,
in elk vak 3 schijven = 60 punten, enz.
Bevinden zich buiten deze berekening nog meer schijven
in een vak dan tellen deze schijven elk voor de punten
van dat vak.
Voorbeeld:
In elk vak liggen 5 schijven en een extra schijf in vak
4.
De telling is dan 100 + 4 = 104 punten.
Maximaal haalbaar is dus 148 punten.
Boven de maximale score van 148 punten kan nog een bonus
van maximaal 8 punten worden behaald indien de speler de
score van 148 punten behaald heeft in maximaal twee
onderbeurten.
Indien 148 in één onderbeurt is behaald krijgt de speler
twee keer één schijf terug. Is de 148 behaald in twee
onderbeurten, dan krijgt de speler één keer één schijf
terug.
De schijf wordt gespeeld waarna opnieuw wordt gestapeld.
Indien de schijf twee keer terug moet worden gegeven,
wordt diezelfde schijf nogmaals gespeeld. Alleen het
resultaat van de gespeelde schijf in de eerste en,
indien van toepassing, tweede keer telt. Het aantal
behaalde bonuspunten wordt berekend volgens bovenstaande
puntentelling, maximaal kan dus twee keer 4 bonuspunten
worden behaald.
De uiteindelijke score is de som van de behaalde punten
en bonuspunten.
Voorbeelden.
1. Een speler heeft 148 punten gescoord in twee
onderbeurten. Hij krijgt nu nog één schijf terug, welke
hij in vak 2 werpt.
De speler heeft nu 148 + 2 = 150 punten behaald.
2. Een speler heeft 148 punten gescoord in één
onderbeurt. Hij krijgt nu nog twee keer één schijf
terug. De eerste keer werpt hij deze in vak 4, de tweede
keer in vak 1. De speler heeft nu 148+4+1=153 punten
gescoord.
Terug
5 SPELVOLGORDE
Een sjoelbeurt bestaat uit 3 onderbeurten in de volgende
volgorde te spelen:
a. De speler telt de 30 schijven.
b. Na toestemming van de jury werpt de speler deze 30
schijven en geeft duidelijk te kennen dat alle schijven
geworpen zijn.
c. De jury bepaalt welke schijven in de vakken mogen
blijven en geeft de resterende schijven terug, evenals
de schijven die tot de uitzonderingen behoorden volgens
art. 3.2.d.
d. De jury stapelt vervolgens de schijven en geeft
hierna toestemming met de resterende schijven te spelen.
Het stapelen geschiedt volgens het spelreglement. De
speler controleert de terug te ontvangen schijven en
start met de 2e onderbeurt.
e. Na de 2e onderbeurt volgt de behandeling volgens c.
en d.
f. De speler werpt daarna voor de laatste maal met de
dan overgebleven schijven, de 3e onderbeurt.
g. De jury bepaalt vervolgens weer welke schijven in de
vakken mogen blijven en gaat dan tot de puntentelling
over. De jury zegt aan de speler de score en na
instemming van de speler wordt het resultaat genoteerd
op de wedstrijdkaart, welke daarna desgewenst aan de
speler wordt getoond.
h. Als een speler in twee onderbeurten 148 heeft
geworpen, dan krijgt hij één schijf terug om te proberen
nog maximaal 4 bonuspunten te behalen zoals is
beschreven in art. 4.
Wordt in één onderbeurt 148 gescoord, dan krijgt de
speler twee keer één schijf terug om te proberen nog
maximaal 8 bonuspunten te behalen zoals is beschreven in
art. 4.
i. Zijn na de 1e of 2e onderbeurt reeds alle schijven in
de vakken, maar is er geen 148 gescoord, dan gaat de
jury over tot de puntentelling.
Terug
6 BEPALINGEN
a. Een speler mag naar eigen keuze zittend of staand
sjoelen, maar blijft tijdens en na het spel te allen
tijde achter de bak.
b. Een speler mag op verzoek 5 schijven op proef spelen.
c. Na aanvang van een beurt, dus na het werpen van de
eventuele 5 proefschijven, mag niet meer aan de sjoelbak
geschoven worden. Iedere speler draagt er zorg voor dat
de bak in de oorspronkelijke stand terug geplaatst
wordt. Een speler mag geen veranderingen aan het
spelmateriaal aanbrengen door glijmiddelen of
tussentijds poetsen.
d. Als tijdens het spelen een schijf breekt dan moet de
gehele beurt opnieuw gespeeld worden.
e. Als een spel met meer dan 30 schijven is gespeeld dan
vervalt de beurt en moet opnieuw gespeeld worden.
f. Is het spel met minder dan 30 schijven gespeeld dan
is geen correctie mogelijk.
g. Tijdens het sjoelen mag de jury niet praten en/of
andere handelingen verrichten die de speler kunnen
beïnvloeden. Alleen op verzoek van de speler mag de jury
aangeven hoeveel schijven in de vakken zijn.
h. Op de afzetbalk mogen geen schijven geplaatst worden.
Terug
7 REGELS BIJ
BONDSWEDSTRIJDEN
a. Tijdens het jureren mag het jurylid zijn eigen
wedstrijdkaart niet op de tafel hebben.
b. Indien de jury fout schrijft, dient het juiste getal
ingevuld en geparafeerd te worden door de ringleider
voor het baknummer.
c. Bij doorhalingen, welke dan ook, telt automatisch het
laagste, leesbare getal.
d. De jury geeft de wedstrijdkaart door aan het jurylid
van de volgende bak.
e. Na de 10e beurt genoteerd te hebben moet het jurylid
de kopie van de wedstrijdkaart aan de speler geven en
het origineel aan de ringleider. In geen geval mag de
complete kaart aan de speler worden gegeven.
f. Indien ter plaatse aangetoond kan worden dat de
speler toch ten voordele van zichzelf wijzigingen heeft
aangebracht, zal de wedstrijdleider onmiddellijk
strafmaatregelen nemen. Deze kunnen bestaan uit het
aftrekken van een beurt tot het aftrekken van de totale
10 beurten.
g. Tijdens het sjoelen en jureren mag niet gerookt,
gedronken of gegeten worden.
Terug
8 SLOTBEPALINGEN
In die gevallen waarin dit reglement niet voorziet
beslist de wedstrijdleiding.